willen to want werkwoord
het uitzicht view zelfstandig naamwoord
het uur hour zelfstandig naamwoord
tegenover opposite voorzetsel
halen to fetch werkwoord
bij at voorzetsel
de familie family zelfstandig naamwoord
de portemonnee wallet zelfstandig naamwoord
de soep soup zelfstandig naamwoord
de apotheek pharmacy zelfstandig naamwoord
de pauze break zelfstandig naamwoord
het voorbeeld example zelfstandig naamwoord
het jaar year zelfstandig naamwoord
het appartement flat zelfstandig naamwoord
het medicijn medicine zelfstandig naamwoord
want because voegwoord
luisteren to listen werkwoord
de broek trousers zelfstandig naamwoord
bezorgd worried bijvoeglijk naamwoord
de gids (persoon) guide zelfstandig naamwoord
makkelijk easy bijvoeglijk naamwoord
de zak (kleding) pocket zelfstandig naamwoord
de aardappel potato zelfstandig naamwoord
de taal language zelfstandig naamwoord
geloven to believe werkwoord
de vis (voedsel) fish zelfstandig naamwoord
zingen to sing werkwoord
de handschoen glove zelfstandig naamwoord
het adres address zelfstandig naamwoord
het ontbijt breakfast zelfstandig naamwoord
het postkantoor post office zelfstandig naamwoord
boos angry bijvoeglijk naamwoord
het bestand (digitaal) file zelfstandig naamwoord
zitten (houding) to sit werkwoord
dansen to dance werkwoord
belangrijk important bijvoeglijk naamwoord
de prijs (bedrag) price zelfstandig naamwoord
hier here bijwoord
vragen to ask werkwoord
heet (temperatuur) hot bijvoeglijk naamwoord
de verhuizing move zelfstandig naamwoord
de hoed hat zelfstandig naamwoord
hard (materiaal) hard bijvoeglijk naamwoord
de paddenstoel mushroom zelfstandig naamwoord
de nek neck zelfstandig naamwoord
beter (gezondheid) better bijvoeglijk naamwoord
de maand month zelfstandig naamwoord
het zout salt zelfstandig naamwoord
horen to hear werkwoord
de knop (bediening) button zelfstandig naamwoord
de winkel shop zelfstandig naamwoord
de bank (zitmeubel) sofa zelfstandig naamwoord
het besluit (beslissing) decision zelfstandig naamwoord
rechts on the right bijwoord
de zus sister zelfstandig naamwoord
kunnen can werkwoord
de regen rain zelfstandig naamwoord
vroeg (tijdstip) early bijwoord
de nacht night zelfstandig naamwoord
nog (steeds) still bijwoord
wandelen to go for a walk werkwoord
de boon bean zelfstandig naamwoord
de film film zelfstandig naamwoord
zwemmen to swim werkwoord
de woonkamer living room zelfstandig naamwoord
de e-mail email zelfstandig naamwoord
de tand tooth zelfstandig naamwoord
het menu menu zelfstandig naamwoord
de school school zelfstandig naamwoord
de week week zelfstandig naamwoord
de boter butter zelfstandig naamwoord
de baan (werk) job zelfstandig naamwoord
de kaas cheese zelfstandig naamwoord
en and voegwoord
verliezen (kwijtraken) to lose werkwoord
de zeep soap zelfstandig naamwoord
schrijven to write werkwoord
de rok skirt zelfstandig naamwoord
het bericht message zelfstandig naamwoord
de bril glasses zelfstandig naamwoord
de rekening (betaling) bill zelfstandig naamwoord
het cadeau present zelfstandig naamwoord
nu now bijwoord
de vader father zelfstandig naamwoord
de smaak (eten en drinken) taste zelfstandig naamwoord
thuis at home bijwoord
de vlieg (insect) fly zelfstandig naamwoord
leren to learn werkwoord
de tafel table zelfstandig naamwoord
de bezem broom zelfstandig naamwoord
de gezondheid health zelfstandig naamwoord
de pijn pain zelfstandig naamwoord
de verbinding (netwerk) connection zelfstandig naamwoord
de deken blanket zelfstandig naamwoord
de muts hat zelfstandig naamwoord
moeilijk difficult bijvoeglijk naamwoord
het avondeten dinner zelfstandig naamwoord
het bos (bomen) forest zelfstandig naamwoord
de arm arm zelfstandig naamwoord
de laptop laptop zelfstandig naamwoord
de telefoon phone zelfstandig naamwoord
de maaltijd meal zelfstandig naamwoord
het verschil difference zelfstandig naamwoord
de vergadering meeting zelfstandig naamwoord
opnieuw again bijwoord
over (onderwerp) about voorzetsel
vergeten to forget werkwoord
het afval rubbish zelfstandig naamwoord
de student student zelfstandig naamwoord
de bloem (plant) flower zelfstandig naamwoord
het dier animal zelfstandig naamwoord
daar there bijwoord
de sleutel key zelfstandig naamwoord
blij happy bijvoeglijk naamwoord
het gordijn curtain zelfstandig naamwoord
het centrum (stad) centre zelfstandig naamwoord
de wasmachine washing machine zelfstandig naamwoord
het probleem problem zelfstandig naamwoord
de website website zelfstandig naamwoord
het doel (doelstelling) goal zelfstandig naamwoord
de mier ant zelfstandig naamwoord
al already bijwoord
de melk milk zelfstandig naamwoord
de hand hand zelfstandig naamwoord
de reservering reservation zelfstandig naamwoord
het bord (eetgerei) plate zelfstandig naamwoord
goedkoop cheap bijvoeglijk naamwoord
de vloer floor zelfstandig naamwoord
onder under voorzetsel
het hoofd (lichaam) head zelfstandig naamwoord
de vriendin (vriendschap) friend zelfstandig naamwoord
de erwt pea zelfstandig naamwoord
de verlichting lighting zelfstandig naamwoord
nemen to take werkwoord
het toetsenbord keyboard zelfstandig naamwoord
de keuken kitchen zelfstandig naamwoord
de boot boat zelfstandig naamwoord
het schrift (schrijfboek) exercise book zelfstandig naamwoord
of or voegwoord
het gezin family zelfstandig naamwoord
de cursus course zelfstandig naamwoord
de vakantie holiday zelfstandig naamwoord
drinken to drink werkwoord
de trui jumper zelfstandig naamwoord
praten to talk werkwoord
ontvangen to receive werkwoord
de handdoek towel zelfstandig naamwoord
meestal usually bijwoord
het glas (drinkglas) glass zelfstandig naamwoord
leven to live werkwoord
de riem (kleding) belt zelfstandig naamwoord
vaak often bijwoord
het loon wages zelfstandig naamwoord
het haar hair zelfstandig naamwoord
daarna afterwards bijwoord
smal narrow bijvoeglijk naamwoord
de buurvrouw neighbour zelfstandig naamwoord
de minuut minute zelfstandig naamwoord
de moeder mother zelfstandig naamwoord
het hotel hotel zelfstandig naamwoord
bang afraid bijvoeglijk naamwoord
eerst first bijwoord
de huur rent zelfstandig naamwoord
de oven oven zelfstandig naamwoord
tijdens during voorzetsel
de appel apple zelfstandig naamwoord
de klant customer zelfstandig naamwoord
twijfelen to be unsure werkwoord
veilig safe bijvoeglijk naamwoord
de tandarts dentist zelfstandig naamwoord
het restaurant restaurant zelfstandig naamwoord
het T-shirt T-shirt zelfstandig naamwoord
het raam window zelfstandig naamwoord
maken to make werkwoord
de hobby hobby zelfstandig naamwoord
de knoflook garlic zelfstandig naamwoord
het konijn rabbit zelfstandig naamwoord
de geit goat zelfstandig naamwoord
tot until voorzetsel
opruimen to tidy up werkwoord
de stad city zelfstandig naamwoord
het ziekenhuis hospital zelfstandig naamwoord
zetten to put werkwoord
de bus bus zelfstandig naamwoord
het meisje girl zelfstandig naamwoord
de hoofdpijn headache zelfstandig naamwoord
heten (naam) to be called werkwoord
het internet internet zelfstandig naamwoord
de regel (voorschrift) rule zelfstandig naamwoord
de vork fork zelfstandig naamwoord
de paraplu umbrella zelfstandig naamwoord
morgen (volgende dag) tomorrow bijwoord
de sneeuw snow zelfstandig naamwoord
koud cold bijvoeglijk naamwoord
de muziek music zelfstandig naamwoord
onthouden to remember werkwoord
de stofzuiger vacuum cleaner zelfstandig naamwoord
de komkommer cucumber zelfstandig naamwoord
de boerderij farm zelfstandig naamwoord
koken (eten bereiden) to cook werkwoord
de passagier passenger zelfstandig naamwoord
omdat because voegwoord
jong young bijvoeglijk naamwoord
wekelijks weekly bijwoord
de brug bridge zelfstandig naamwoord
het land (staat) country zelfstandig naamwoord
het scherm screen zelfstandig naamwoord
de koe cow zelfstandig naamwoord
het brood bread zelfstandig naamwoord
dagelijks daily bijwoord
het biljet (geld) banknote zelfstandig naamwoord
het huis house zelfstandig naamwoord
de bij bee zelfstandig naamwoord
links on the left bijwoord
duur expensive bijvoeglijk naamwoord
de ouder parent zelfstandig naamwoord
de grens (tussen landen) border zelfstandig naamwoord
antwoorden to answer werkwoord
het overhemd shirt zelfstandig naamwoord
nodig necessary bijvoeglijk naamwoord
het weer weather zelfstandig naamwoord
de gast guest zelfstandig naamwoord
het water water zelfstandig naamwoord
het meer (water) lake zelfstandig naamwoord
de noot (voedsel) nut zelfstandig naamwoord
de supermarkt supermarket zelfstandig naamwoord
de maat (kleding) size zelfstandig naamwoord
vanaf from voorzetsel
de keuze choice zelfstandig naamwoord
de lunch lunch zelfstandig naamwoord
het fruit fruit zelfstandig naamwoord
het dak roof zelfstandig naamwoord
houden (bewaren) to keep werkwoord
de straat street zelfstandig naamwoord
het concert concert zelfstandig naamwoord
liggen (positie) to lie werkwoord
het account (online) account zelfstandig naamwoord
de paprika pepper zelfstandig naamwoord
het strand beach zelfstandig naamwoord
de tram tram zelfstandig naamwoord
de kassa checkout zelfstandig naamwoord
het geld money zelfstandig naamwoord
tevreden satisfied bijvoeglijk naamwoord
de bibliotheek library zelfstandig naamwoord
de emmer bucket zelfstandig naamwoord
de wolk cloud zelfstandig naamwoord
de persoon person zelfstandig naamwoord
de kool cabbage zelfstandig naamwoord
de vraag question zelfstandig naamwoord
spreken to speak werkwoord
het idee idea zelfstandig naamwoord
gaan to go werkwoord
de thee tea zelfstandig naamwoord
de spiegel mirror zelfstandig naamwoord
de trap stairs zelfstandig naamwoord
de broer brother zelfstandig naamwoord
proberen to try werkwoord
het eiland island zelfstandig naamwoord
de vinger finger zelfstandig naamwoord
de metro metro zelfstandig naamwoord
de toets (onderwijs) test zelfstandig naamwoord
de zon sun zelfstandig naamwoord
ontmoeten to meet werkwoord
de spin spider zelfstandig naamwoord
de bakker baker zelfstandig naamwoord
met with voorzetsel
het gras grass zelfstandig naamwoord
de tent tent zelfstandig naamwoord
de temperatuur temperature zelfstandig naamwoord
schoonmaken to clean werkwoord
zijn to be werkwoord
gisteren yesterday bijwoord
het vlees meat zelfstandig naamwoord
de leerling (onderwijs) pupil zelfstandig naamwoord
de lucht (hemel) sky zelfstandig naamwoord
lekker tasty bijvoeglijk naamwoord
gezellig pleasant bijvoeglijk naamwoord
nat wet bijvoeglijk naamwoord
gebruiken to use werkwoord
de dokter doctor zelfstandig naamwoord
de seconde second zelfstandig naamwoord
de vriend (vriendschap) friend zelfstandig naamwoord
wassen to wash werkwoord
de wond wound zelfstandig naamwoord
de muis (dier) mouse zelfstandig naamwoord
achter behind voorzetsel
het gezicht face zelfstandig naamwoord
hopen to hope werkwoord
het kantoor office zelfstandig naamwoord
de richting direction zelfstandig naamwoord
de koorts fever zelfstandig naamwoord
laat (tijdstip) late bijwoord
verdrietig sad bijvoeglijk naamwoord
beginnen to begin werkwoord
aankleden to dress werkwoord
de herfst autumn zelfstandig naamwoord
het voordeel advantage zelfstandig naamwoord
zeggen to say werkwoord
vers fresh bijvoeglijk naamwoord
de camping campsite zelfstandig naamwoord
de tomaat tomato zelfstandig naamwoord
fietsen to cycle werkwoord
de saus sauce zelfstandig naamwoord
zoeken to look for werkwoord
de korting discount zelfstandig naamwoord
moeten must werkwoord
de dag day zelfstandig naamwoord
wakker worden to wake up woordgroep
de plant plant zelfstandig naamwoord
de mist fog zelfstandig naamwoord
leggen to put down werkwoord
stoppen to stop werkwoord
de mening opinion zelfstandig naamwoord
het balkon balcony zelfstandig naamwoord
douchen to shower werkwoord
de muur wall zelfstandig naamwoord
de druif grape zelfstandig naamwoord
warm warm bijvoeglijk naamwoord
geven to give werkwoord
op tijd on time woordgroep
brengen to bring werkwoord
het spel game zelfstandig naamwoord
nergens nowhere bijwoord
dus so voegwoord
tussen between voorzetsel
het theater theatre zelfstandig naamwoord
lang (duur) for a long time bijwoord
maar but voegwoord
de banaan banana zelfstandig naamwoord
rusten to rest werkwoord
de reis journey zelfstandig naamwoord
bakken to bake werkwoord
de peer pear zelfstandig naamwoord
blijven to stay werkwoord
denken to think werkwoord
zacht (gevoel of materiaal) soft bijvoeglijk naamwoord
afwassen to wash up werkwoord
als (voorwaarde) if voegwoord
trots proud bijvoeglijk naamwoord
vinden (locatie) to find werkwoord
de tijd time zelfstandig naamwoord
onmogelijk impossible bijvoeglijk naamwoord
de wind (weer) wind zelfstandig naamwoord
tekenen to draw werkwoord
straks in a little while bijwoord
rijden to drive werkwoord
de computer computer zelfstandig naamwoord
de jurk dress zelfstandig naamwoord
de batterij battery zelfstandig naamwoord
laag low bijvoeglijk naamwoord
dichtbij nearby bijwoord
de buurman neighbour zelfstandig naamwoord
de hulp (ondersteuning) help zelfstandig naamwoord
zonder without voorzetsel
de reden reason zelfstandig naamwoord
de weg road zelfstandig naamwoord
het sap juice zelfstandig naamwoord
soms sometimes bijwoord
de lamp lamp zelfstandig naamwoord
nieuw new bijvoeglijk naamwoord
de badkamer bathroom zelfstandig naamwoord
de auto car zelfstandig naamwoord
het stoplicht traffic light zelfstandig naamwoord
de baby baby zelfstandig naamwoord
eerlijk (oprecht) honest bijvoeglijk naamwoord
de afspraak (afgesproken tijdstip) appointment zelfstandig naamwoord
de bezoeker visitor zelfstandig naamwoord
de ochtend morning zelfstandig naamwoord
de hoest cough zelfstandig naamwoord
de verpakking packaging zelfstandig naamwoord
de verjaardag birthday zelfstandig naamwoord
zenuwachtig nervous bijvoeglijk naamwoord
opstaan to get up werkwoord
het antwoord answer zelfstandig naamwoord
de mond mouth zelfstandig naamwoord
voor (plaats) in front of voorzetsel
bedoelen to mean werkwoord
het been (lichaam) leg zelfstandig naamwoord
rustig (kalm) calm bijvoeglijk naamwoord
het kind child zelfstandig naamwoord
de suiker sugar zelfstandig naamwoord
de rijst rice zelfstandig naamwoord
de fiets bicycle zelfstandig naamwoord
het schaap sheep zelfstandig naamwoord
de rug (lichaam) back zelfstandig naamwoord
de kip (vlees) chicken zelfstandig naamwoord
gevaarlijk dangerous bijvoeglijk naamwoord
eten to eat werkwoord
komen to come werkwoord
het mes knife zelfstandig naamwoord
buiten outside bijwoord
de schouder shoulder zelfstandig naamwoord
de oplader charger zelfstandig naamwoord
de vertraging delay zelfstandig naamwoord
de stoel chair zelfstandig naamwoord
doen to do werkwoord
de eend duck zelfstandig naamwoord
de koffer suitcase zelfstandig naamwoord
het ei egg zelfstandig naamwoord
het lichaam body zelfstandig naamwoord
het vliegtuig plane zelfstandig naamwoord
de woning home zelfstandig naamwoord
vervolgens then bijwoord
dun (dikte) thin bijvoeglijk naamwoord
hebben to have werkwoord
de rit ride zelfstandig naamwoord
de boom tree zelfstandig naamwoord
het paspoort passport zelfstandig naamwoord
de munt (geld) coin zelfstandig naamwoord
gezond healthy bijvoeglijk naamwoord
krijgen to receive werkwoord
het plan plan zelfstandig naamwoord
de middag afternoon zelfstandig naamwoord
de kleding clothing zelfstandig naamwoord
kiezen to choose werkwoord
de neus nose zelfstandig naamwoord
de verkoudheid cold zelfstandig naamwoord
klein small bijvoeglijk naamwoord
door (oorzaak) because of voorzetsel
het bonnetje receipt zelfstandig naamwoord
de dorst thirst zelfstandig naamwoord
wonen to live werkwoord
mogelijk possible bijvoeglijk naamwoord
begrijpen to understand werkwoord
dik (dikte) thick bijvoeglijk naamwoord
de pan (kookgerei) pan zelfstandig naamwoord
via via voorzetsel
het gemeentehuis town hall zelfstandig naamwoord
het nieuws news zelfstandig naamwoord
lezen to read werkwoord
de kop (drinkgerei) cup zelfstandig naamwoord
de buik belly zelfstandig naamwoord
de kans (gelegenheid) opportunity zelfstandig naamwoord
het paard horse zelfstandig naamwoord
schoon (niet vuil) clean bijvoeglijk naamwoord
na after voorzetsel
de kast cupboard zelfstandig naamwoord
de video video zelfstandig naamwoord
uiteindelijk eventually bijwoord
oud old bijvoeglijk naamwoord
de schoen shoe zelfstandig naamwoord
het varken pig zelfstandig naamwoord
de sla lettuce zelfstandig naamwoord
bellen (telefoon) to call werkwoord
boodschappen doen to shop for groceries woordgroep
de bagage luggage zelfstandig naamwoord
bedanken to thank werkwoord
de sjaal scarf zelfstandig naamwoord
de koelkast fridge zelfstandig naamwoord
lopen (wandelen) to walk werkwoord
de citroen lemon zelfstandig naamwoord
het werk (arbeid) work zelfstandig naamwoord
uitnodigen to invite werkwoord
mogen (toestemming) may werkwoord
het verkeer traffic zelfstandig naamwoord
het kaartje (vervoer) ticket zelfstandig naamwoord
vertellen to tell werkwoord
ondertussen meanwhile bijwoord
de muisknop mouse button zelfstandig naamwoord
de halte stop zelfstandig naamwoord
de zee sea zelfstandig naamwoord
het kussen cushion zelfstandig naamwoord
de lepel spoon zelfstandig naamwoord
de ui onion zelfstandig naamwoord
dat (voegwoord) that voegwoord
terwijl while voegwoord
herhalen to repeat werkwoord
wachten to wait werkwoord
het oor ear zelfstandig naamwoord
licht (gewicht) light bijvoeglijk naamwoord
de huisarts GP zelfstandig naamwoord
de olie oil zelfstandig naamwoord
openen to open werkwoord
dragen (optillen en vervoeren) to carry werkwoord
naast next to voorzetsel
het feest party zelfstandig naamwoord
het perron platform zelfstandig naamwoord
de lente spring zelfstandig naamwoord
de knie knee zelfstandig naamwoord
lelijk ugly bijvoeglijk naamwoord
reizen to travel werkwoord
huilen to cry werkwoord
de sok sock zelfstandig naamwoord
het station (trein) station zelfstandig naamwoord
de foto photo zelfstandig naamwoord
de jongen boy zelfstandig naamwoord
vriendelijk friendly bijvoeglijk naamwoord
ver far bijwoord
de fout mistake zelfstandig naamwoord
de les lesson zelfstandig naamwoord
goed good bijvoeglijk naamwoord
de oplossing solution zelfstandig naamwoord
de kaart (plattegrond) map zelfstandig naamwoord
het horloge watch zelfstandig naamwoord
het museum museum zelfstandig naamwoord
de route route zelfstandig naamwoord
beneden downstairs bijwoord
de file traffic jam zelfstandig naamwoord
de stoep pavement zelfstandig naamwoord
de vogel bird zelfstandig naamwoord
beslissen to decide werkwoord
uitleggen to explain werkwoord
het café café zelfstandig naamwoord
de docent teacher zelfstandig naamwoord
de honger hunger zelfstandig naamwoord
groot big bijvoeglijk naamwoord
de laars boot zelfstandig naamwoord
breed wide bijvoeglijk naamwoord
de pasta pasta zelfstandig naamwoord
het plein square zelfstandig naamwoord
het bed bed zelfstandig naamwoord
de voet foot zelfstandig naamwoord
de belofte promise zelfstandig naamwoord
worden (verandering) to become werkwoord
de wortel (groente) carrot zelfstandig naamwoord
de koffie coffee zelfstandig naamwoord
de vlinder butterfly zelfstandig naamwoord
de tas bag zelfstandig naamwoord
de slaapkamer bedroom zelfstandig naamwoord
de man man zelfstandig naamwoord
voelen to feel werkwoord
de uitgang exit zelfstandig naamwoord
de tong tongue zelfstandig naamwoord
koel cool bijvoeglijk naamwoord
het beroep (werk) profession zelfstandig naamwoord
binnenkort soon bijwoord
nooit never bijwoord
ergens somewhere bijwoord
de tuin garden zelfstandig naamwoord
de markt market zelfstandig naamwoord
mooi beautiful bijvoeglijk naamwoord
het dorp village zelfstandig naamwoord
de zomer summer zelfstandig naamwoord
droog dry bijvoeglijk naamwoord
de euro euro zelfstandig naamwoord
het weekend weekend zelfstandig naamwoord
zwaar heavy bijvoeglijk naamwoord
vandaag today bijwoord
vuil dirty bijvoeglijk naamwoord
de hond dog zelfstandig naamwoord